|
Normaal stond er vandaag een boottocht op de planning om een groot deel van de rit af te snijden. Helaas besliste de overheid op het laatste moment om de veerboot in te zetten op een “belangrijkere” route, waardoor onze overtocht simpelweg geannuleerd werd. Dat betekende: improviseren!
Op zoek naar alternatieven trokken we naar enkele plekken die oorspronkelijk niet eens op de planning stonden. Zo kwamen we uit bij het zwarte kerkje van Búðir. Eerlijk? Bij aankomst werd meteen duidelijk waarom het de eerste keer gesneuveld was uit ons schema. Het kerkje zelf is wel charmant en fotogeniek in dat ruwe lavalandschap, maar verder valt er weinig te beleven. Wel leuk om even gezien te hebben, maar geen must-do.
Daarna hielden we halt bij een kleine hot spring, eentje van de weinige gratis plekken die er nog zijn. Het is echter letterlijk “wie eerst komt, eerst maalt”, want er passen maximaal twee tot drie personen tegelijk in. Mike nam de proef op de som en testte het water – heerlijk warm en perfect om even te ontspannen. Jammer genoeg zagen we al snel de volgende bezoekers aankomen, dus van lang genieten was geen sprake.
De volgende stop bracht meer kleur: een gebied met rood vulkanisch zand. Op sommige plekken was het zelfs fel vuurrood, wat een bijzonder contrast gaf met de rest van het landschap. IJsland blijft verbazen met zijn kleuren – van zwart en grijs tot plots diepe roodtinten.
Vlak daarnaast zagen we iets vreemds: de grond zat vol “blaren”. Het leek alsof er een korst van zo’n 15 cm bovenop lag met daaronder holtes. Typisch voor vulkanische gebieden, waar gasbellen in de lava gevangen zaten en later zijn ingestort – een beetje alsof je over een broze korst loopt. Best indrukwekkend, en tegelijk een reminder dat deze grond ooit letterlijk vloeibaar was.
Nog voor we terug op de grote weg zaten, werden we plots verrast door een volledige kudde paarden die ons pad kruiste. De IJslandse paarden – klein, stevig en met hun typische dikke manen – lijken bijna rechtstreeks uit een sprookje te komen. Wist-je-datje: deze paarden zijn een van de puurste rassen ter wereld, omdat het al eeuwenlang verboden is om nieuwe paarden in te voeren op IJsland.
Daarna begon het minder spannende deel van de dag: ruim vier uur rijden richting het noorden, zonder noemenswaardige stops. Enkel een korte lunchpauze halverwege brak de rit een beetje.
We besloten alvast in te checken in het hotel – een goeie zet, want de receptie sluit al om 22u en wij zouden pas veel later terug zijn.
’s Avonds reden we verder naar een oude, roestende boot op het strand. Een fotogenieke plek, dat zeker, maar het blijft bij “mooi voor een foto en weer door”.
Daarna volgde een rit over een F-weg (onverharde weg) richting Rauðisandur beach. Een halfuur enkele rit over gravel, steil omhoog langs kliffen en daarna weer naar beneden. En dan sta je daar… op wat uiteindelijk een vrij “gewoon” zandstrand lijkt. Al is “gewoon” relatief: de naam betekent letterlijk “rood zand”, en afhankelijk van het licht kleurt het strand hier goud, roze of zelfs lichtrood.
Maar hét doel van de avond lag nog verder: Látrabjarg, helemaal op het puntje van het schiereiland. Dit is dé plek waar tussen 19u en 22u de puffins (papegaaiduikers) terugkeren van zee om hun nest op te zoeken.
We kwamen rond 19u15 aan… en zagen helemaal niets. Geen enkele puffin te bespeuren. Tegen 20u sprak Mike iemand die ons geruststelde: ze waren nog op zee, maar zouden elk moment kunnen terugkomen.
En inderdaad – tien minuten later spotten Kathleen en Threzie de eerste die kwam aanvliegen: YES!
Mike had zijn nieuwe superzoom mee en dat bleek ideaal. Met een beetje geduld wist hij al snel heel wat mooie foto’s te maken.
Wat ons vooral opviel aan deze bijzondere vogels:
- De boven- en onderkant van hun snavel lijken niet vast aan elkaar te zitten. Ze kunnen die duidelijk een stukje openen en “flexen”, wat waarschijnlijk helpt om meerdere visjes tegelijk te dragen. Puffins staan er namelijk om bekend dat ze soms een hele rij visjes tegelijk in hun bek meenemen naar hun nest.
- Daarnaast hebben ze een opvallende beige rand tussen snavel en kop, met kleine lijntjes of gaatjes. Dat blijkt een soort zachte overgang van veren en huid te zijn, typisch voor deze soort.
Moe maar voldaan begonnen we aan de terugrit van opnieuw anderhalf uur. Vooral de eerste 37 km over onverharde weg maakten het nog een stevige uitdaging.
Maar het was het allemaal waard – puffins van zo dichtbij zien blijft toch iets speciaals ✨
|